Gedichten

 

Psaalms vangen (bie psaalm 70)

 

De fleddermoes schut deur het duusternde schip

floddert in cirkels rond op zuik noar woare woorden

heur radar geft signoalen òf van muur en roam, n botsing

doulbewust is ze richt op t touvaal

wat mainst verbörgen is komt mooist aan t licht

 

gezangen waaien nog deur roemte, teksten van psaalms

druppeln laangs  witgekaalkte muren in sleperg laange noten

zai vangt wat laangs heur strikt en wat ze bruken kin

wordt dik van d’ associoaties, vuilt zok dichter bie God

 

nou ligt ze boeten op de kòlde van n grafstain

asof ze dij net hoalen kon, nog wotter dronk oet t vogelbadje

zok strekte,  d’vleugeltjes sikkom deurzichteg wied oetspraaid

op de natte glaans van t swaarte marmer

twij schaarpe klaauwtjes veur t bedrupte moezensnoetje,

n haalf gelukte vogel

 

meschain dat zok der wat in heur noar boven wrong

wer het teveul wat zai bewoarde, te swoar van starre regels

wel laif te hebben en hou schoonhaid wezen kin

 

n psaalmregel gaalmt noa - Daal haastig ter verlossing neer -

 

(verscheen in de bundel Dichter bie Psaalms)

 

 

Snijhoas bie Zuurdiek

 

oet n snij-jacht over horizon glipt

over kòlde vlaktes hongerg òfdwoald

zigzag kommen laangs bochten van t Raidaip

ligt hai onderdoken tegen graftwale, laange oren plat

over zien nekke sloagen, bòlle ogen keerd noar mie

in oavend zet ik brood en greunte

wait k hom doar

 

snij vörmt roggen op d’ loanen, veur mien roamen

n hoog duun, n groot sloapend mouderdaaier

 

meschain dat hai dizze naacht mit mie

onder dij overhellende raand in loagde schare

t waarm kriegen zol, soamen liggend onder opwaaide withaid

tegen de ronden van n zaachte buuk

 

moar over laange widde vurgen keert hai weerom

twij pootòfdrukkens noast mekoar

zien achterpoten der lichtjes achteraan

op t ritme van zien sporen

terogge noar n aigen parallelle wereld.

 

 

De diepte in de dingen en de dieren

 

wat roepen huizen vanachter

hun muren, daken die verschuiven

van scènes van levens de leidingen bloot

wat seint een verlaten trappenhuis

getuigen kapot geschoten flatgebouwen

rennende voeten in een nachtelijke stad?

 

hoe klinkt het huilen van dieren?

een paard dat tegen een schutting hangt

een hond die dagenlang op een dakgoot drijft

 

iemand moet er naar kijken, de diepte zien

 

het woeste van een ontzette kamer, paniek

van verschoven meubels, vazen gestrand

dichtklappende vallen

 

(verscheen op Gedichtenforum van De Contrabas)

 

 

In lichtbundels danst het stof

(Ook te lezen in de Groninger versie in de bundel Wondpoeier en in een Oost-Friese versie in Soltauer Schriften Binneboom Band 15 2009)

1

We zien door het keukenraam

de ochtend door het landschap gaan

licht overkomt de toppen van de siërra

omsingelt haar contouren

glijdt als een slagschip de dalen in.

 

De Monte Maroma bergt

in plooiingen hoog, nog

schuw schaduwleven

de zon sluipt hellingen af

overvalt rijen druivenstruiken.

 

Nachtadem lost dampend op

in een spectrum van kleuren,

Juanita gooit de luiken open

geur van gulle grond

mengt zich met rinsig nachtzweet. 

 

Olijven zetten zich schrap

tegen helling en wind

de kruinen gericht naar het dwingend licht,

werpen wiegend hun silhouet

de zon trekt aan de touwen

zet alle beweging in.

 

Geen veld toont zo tastbaar het verleden

als een oude olijfgaard in jong ochtendlicht

tegen een glooiing aangedrukt.

De bergweg tilt haar terrassen

vol van werken zweten dorstig drinken

gulzig happen, hoger en hoger de morgen in.

 

Een ander landschap

in opgespaarde geuren

nestwarmte fluisterende klanken

zet zich af tegen

tijd en tegenlicht.

 

2

Welkom in het daglicht van Andalusië

de vale gier start spiedend zijn cirkelgang

weer hangt de slechtvalk in de lucht

gierzwaluwen maken keer op keer hun glijvlucht

’s nachts hangen ze blindelings

aan hun wieken, vol overgave

slapen ze in de lucht.

 

Muilezels gaan ééns per jaar

ter kerke, stappen via de ezelsbrug

de stenen trap op door het dubbele deurtje,

scholen samen, hun lange oren vangen

gezangen, weer wordt een jaar dienstbaarheid,

trekkracht gevraagd aan de Maagd.

 

Juanita melkt op tast omvat

teder de volle ochtendspenen

geitenmelk kletst

tegen de emmerwand

ze fluit haar hond, pakt tas en staf

trekt met de kudde door de campo.

 

Onder grassen rommelt leven

een bij boort zoemend de eerste bloem

de hagedis glipt geluidloos weg

licht en schaduwvlekken verspringen

onder ritselende bladeren

van de amandel sinaasappel avocado.

 

‘k Lig weer als zomerochtendkind

verscholen in het graan

de zon zendt schitteringen

over de dekschild van een tor

door stengels, ze wuiven

de wereld gaat verschuiven.

 

Ik richt me op, zie

halmen in lange rijen staan

laat aren door mijn handen gaan

en voel de korrels 

door mijn vingers glippen.

 

3

Siëstatijd

onwerkelijk witte dorpen

tegen heuvels aangeplakt

soezerigheid van stemmen

achter open deuren donkere ruimtes

een man sluipt een bodega in.

 

Licht davert door hellende stegen

knalt tegen poorten huizen

schaduwt de moorse muren

stof danst als in een fiësta

in lichtbundels door de straten.

 

Op een doorgezond landschap 

op het hoogtepunt van de dag 

valt het licht als een moker

vallen mensen dieren in de zon

onverbiddelijk met hun schaduw samen.

 

Zal Juanita met haar hond 

in hete schittering, de geiten

grazend door de heuvels drijven

praat gutturaal met ze in geitentaal.

 

Moet de leemgrond vergruisd

vruchten geoogst en opgeladen,

naar de schuur van de cortijo gebracht.

 

Ik hak met een houweel

een gat in de tijd

reik naar herinneringen

ze verspringen

geslingerd uit hun baan

ik zoek naar grond

naar fundament.

 

Ik loop van west naar oost

en tel de ares af, maak plattegronden

voor  boomgaard voorhuis schuur en kippenhok,

waar moeten de paarden de bankschroef het kaf,

ik metsel muren plaats balken stut de nok

timmer ramen,ook hoog in het dak,

plant weer een wingerd bij de schuurdeur.

 

4

En dan was ik weer het meisje

en jullie de ouders

nog niet verspreid, opgaand

in water, weggedreven op wind.

 

Ik ken de zon

nog niet mijn schaduw.

 

Het koren moet van het land

we laden roggeschoven op de wagen

ik zie de speling van spieren

in een wiegende paardenbil.

 

In warme schuren prikken we schoven

van vork tot vork, diep in het vierkant

van lege ruimten, door het vanggat,

hoog opgetast tot aan het dak.

 

Na schooltijd kruip ik ongemerkt

door de nauwe baan

van broeierig koren

de landerijen, vol lomigheid.

 

5

In de avond vervloeien de kleuren

zacht lila licht trekt zich terug

bruine verftoetsen op de helling

stromen rinkelend naar beneden,

nog eenmaal geruk aan planten

malende kaken triptrap hoefjes,

Juanita traag, gebaart

verzaligd trekken ze naar de stal.

 

De wind valt stil

de zon zakt laag

zet het terras in schaduwtinten

kikker en boerenzwaluw zenden

hun geluidsgolven door het dal

en overal echoën verhalen

een landschap nestelt zich.

 

Mijn landschap wijkt

gaat ondergronds

is niet meer thuis te brengen.

 

Alleen in vlagen zweeft het aan

als zwermen vuurvliegjes

fluisterend vloekend zingend,

oplichtend in nestkastjes

vullen ze de holtes

met lichtdeeltjes taal.