|
Noorderplantsoen
Voutstappen verdwienen oet t zicht, loate stemmen sloeten zuk in hoezen in, n merel streut het leste licht over t sitroungeel van kornoeljetakken. t Paark ligt as n groot sloapend daaier tussen wiek en binnenstad, een no go area in naacht het oademt zaachtjes oet en in.
Studenten rieten mit haarde stemmen n dompege mörgen aan flaren, de brommer van n eerste kraantenman trekt op zoemt as n niedeg insect deur stroaten.
Hondenboazen op t gras bevelen mit geblaf en ook de schizofrene hond vindt wel zien moaten. n Euliede god op rollerskates zoest enkeld in n streng veurbie hantaaiert zien mobiel, bost sikkom tegen n rollator op, remt of wie kinnen ons hier verstoan.
Bie zummer hollen vogels sproakeloos de snoavels, slentern doezende vouten bonken trommels en bie de buurman giert gestoag n cirkelzoag.
Mor elk veujoar fluustern boomkrunen heur gedachten ontroadseln wie weer de lichte vogeltoal, herstelt het gras het oetzicht, de boomklever fluit bie hoog en leeg zakken d’eenden mit zaacht gesnoater de viever in.
De traumahelikopter dreunt over de lege koepel veur meziek de stad weer in.
Aly Freije (verscheen in de serie Dichterbij de wijk van het Dagblad van het Noorden)
Zukswat as n aailaand
Om bocht rist onverwachts begroafploats van Wierem op n struusvogel löpt onder helgen mit grode kolde vouten t zulfde vaaierkaant van zien leven beneden stroomt Raidaip noar zee.
As t wotter weer landinwoarts stroomde en luchten gleden terogge in wind wast t ooit zo begonnen: op gammele bootjes voaren over roemte voag en rond n zandwaal ophogen, vissen dreugen in zolte wind der worden bomen plant, vee tussen poalen zet ze stikken in modder, housten wotter oet longen steuten in swiegen weer spoades in grond grafstainen rekken hoger en hoger op plagen en mis.
Tot het vergroaven gaait begunnen doden nog allain op hoogte liggen heur graf as n schip nog aankerd aan t leven.
Op dizze omsloten oetkiekpost willen wie wel soamen as twij peerden, toubogen noar mekoar, begroaven liggen mit kat en stil deur stroeken in daipte kieken wind laifkoost letters op n grafstain vogels vlaigen dreumen aan en naargens n kerke te bekìnnen.
Moar buldozers waarken historie open vullen wierde op mit baggerslib nait meer dij aine beschutte koamer op staailte, hier ligt men oge in oge mit horizon en tied.
As aaske oetstreud boven t Wad willen wie ains weer binnen stromen mit resten van speulen onder kaalfkes, zwemles in wieke mouders haanden boven naaldwaark, n blaauwe pyama scholderbladen van voader over zaais.
Boven mistbaank staait n riege bomen schaive roakt en onder swaarte wolken zel ains weer n boodschopper aan raande te roupen stoan haanden oetvergroot tegen haard zunlicht klinkt d’haise stem van dood boven wind
wat holvast baidt verdwient allain slib bezinkt vannijs in loagen van tied.
Aly Freije, uit: De wierde van Wierum, uitgeverij kleine Uil
IN LICHTBUNDELS DANST HET STOF (Ook te lezen in de Groninger versie in de bundel Wondpoeier en in een Oost-Friese versie in Soltauer Schriften Binneboom Band 15 2009) 1 We zien door het keukenraam de ochtend door het landschap gaan licht overkomt de toppen van de siërra omsingelt haar contouren glijdt als een slagschip de dalen in.
De Monte Maroma bergt in plooiingen hoog, nog schuw schaduwleven de zon sluipt hellingen af overvalt rijen druivenstruiken.
Nachtadem lost dampend op in een spectrum van kleuren, Juanita gooit de luiken open geur van gulle grond mengt zich met rinsig nachtzweet.
Olijven zetten zich schrap tegen helling en wind de kruinen gericht naar het dwingend licht, werpen wiegend hun silhouet de zon trekt aan de touwen zet alle beweging in.
Geen veld toont zo tastbaar het verleden als een oude olijfgaard in jong ochtendlicht tegen een glooiing aangedrukt. De bergweg tilt haar terrassen vol van werken zweten dorstig drinken gulzig happen, hoger en hoger de morgen in.
Een ander landschap in opgespaarde geuren nestwarmte fluisterende klanken zet zich af tegen tijd en tegenlicht.
2 Welkom in het daglicht van Andalusië de vale gier start spiedend zijn cirkelgang weer hangt de slechtvalk in de lucht gierzwaluwen maken keer op keer hun glijvlucht ’s nachts hangen ze blindelings aan hun wieken, vol overgave slapen ze in de lucht.
Muilezels gaan ééns per jaar ter kerke, stappen via de ezelsbrug de stenen trap op door het dubbele deurtje, scholen samen, hun lange oren vangen gezangen, weer wordt een jaar dienstbaarheid, trekkracht gevraagd aan de Maagd.
Juanita melkt op tast omvat teder de volle ochtendspenen geitenmelk kletst tegen de emmerwand ze fluit haar hond, pakt tas en staf trekt met de kudde door de campo.
Onder grassen rommelt leven een bij boort zoemend de eerste bloem de hagedis glipt geluidloos weg licht en schaduwvlekken verspringen onder ritselende bladeren van de amandel sinaasappel avocado.
‘k Lig weer als zomerochtendkind verscholen in het graan de zon zendt schitteringen over de dekschild van een tor door stengels, ze wuiven de wereld gaat verschuiven.
Ik richt me op, zie halmen in lange rijen staan laat aren door mijn handen gaan en voel de korrels door mijn vingers glippen.
3 Siëstatijd onwerkelijk witte dorpen tegen heuvels aangeplakt soezerigheid van stemmen achter open deuren donkere ruimtes een man sluipt een bodega in.
Licht davert door hellende stegen knalt tegen poorten huizen schaduwt de moorse muren stof danst als in een fiësta in lichtbundels door de straten.
Op een doorgezond landschap op het hoogtepunt van de dag valt het licht als een moker vallen mensen dieren in de zon onverbiddelijk met hun schaduw samen.
Zal Juanita met haar hond in hete schittering, de geiten grazend door de heuvels drijven praat gutturaal met ze in geitentaal.
Moet de leemgrond vergruisd vruchten geoogst en opgeladen, naar de schuur van de cortijo gebracht.
Ik hak met een houweel een gat in de tijd reik naar herinneringen ze verspringen geslingerd uit hun baan ik zoek naar grond naar fundament.
Ik loop van west naar oost en tel de ares af, maak plattegronden voor boomgaard voorhuis schuur en kippenhok, waar moeten de paarden de bankschroef het kaf, ik metsel muren plaats balken stut de nok timmer ramen,ook hoog in het dak, plant weer een wingerd bij de schuurdeur.
4 En dan was ik weer het meisje en jullie de ouders nog niet verspreid, opgaand in water, weggedreven op wind.
Ik ken de zon nog niet mijn schaduw.
Het koren moet van het land we laden roggeschoven op de wagen ik zie de speling van spieren in een wiegende paardenbil.
In warme schuren prikken we schoven van vork tot vork, diep in het vierkant van lege ruimten, door het vanggat, hoog opgetast tot aan het dak.
Na schooltijd kruip ik ongemerkt door de nauwe baan van broeierig koren de landerijen, vol lomigheid.
5 In de avond vervloeien de kleuren zacht lila licht trekt zich terug bruine verftoetsen op de helling stromen rinkelend naar beneden, nog eenmaal geruk aan planten malende kaken triptrap hoefjes, Juanita traag, gebaart verzaligd trekken ze naar de stal.
De wind valt stil de zon zakt laag zet het terras in schaduwtinten kikker en boerenzwaluw zenden hun geluidsgolven door het dal en overal echoën verhalen een landschap nestelt zich.
Mijn landschap wijkt gaat ondergronds is niet meer thuis te brengen.
Alleen in vlagen zweeft het aan als zwermen vuurvliegjes fluisterend vloekend zingend, oplichtend in nestkastjes vullen ze de holtes met lichtdeeltjes taal.
Aly Freije |
|
Gedichten |